Schildklier aandoeningen

Schildklierkanker

Schildklierkanker is een kwaadaardig (maligne) gezwel van de schildklier. Schildklierkanker is zeldzaam. In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 320 mensen te horen dat zij schildklierkanker hebben. Schildklierkanker komt drie keer zo vaak bij vrouwen als bij mannen voor.

De precieze oorzaak van schildklierkanker is nog niet bekend. Er zijn wel risicofactoren bekend zoals bestraling van de hals en familieleden met schildklierkanker. Schildklierkanker groeit meestal langzaam. Het kan soms jaren duren voordat er klachten optreden. Het kan dus een toevalsbevinding zijn bij onderzoek. Het belangrijkste verschijnsel van schildklierkanker is een zwelling in de hals. Om vast te stellen of deze zwelling wel of geen kanker is, is er een punctie nodig. Bij een punctie wordt er met een dunne naald cellen uit de zwelling gezogen. Dit gebeurt meestal met behulp van een echografie. Zie ook de patiëntenfolders Echografie en Een punctie op de afdeling Radiologie’.

De punctie kan verschillende uitslagen geven:
  • In 10-15 % van de gevallen zijn er niet voldoende cellen verwijderd om een betrouwbare diagnose te stellen. De punctie wordt dan over het algemeen herhaald.
  • De punctie laat goedaardige cellen zien. Meestal wordt daarna afgewacht. Soms wordt de punctie na 6-12 maanden nog eens herhaald.
  • Er wordt geen zekere diagnose gesteld maar er worden wel onrustige cellen gevonden. Er wordt dan geadviseerd om óf een nieuwe punctie te laten doen óf de helft van de schildklier te verwijderen om een definitieve diagnose te kunnen stellen.
  • Blijkt uit de punctie dat het vrijwel zeker kwaadaardige cellen zijn, dan wordt geadviseerd uw gehele schildklier middels een operatie te laten verwijderen, zie ook de patiëntenfolder ‘Schildklieroperatie’.

Na de operatie is bekend welke vorm van schilklierkanker aanwezig is.

Er zijn 4 soorten schildklierkanker:
  • Papillair schildkliercarcinoom
  • Folliculair schildkliercarcinoom
  • Medullair schildkliercarcinoom
  • Anaplastisch schildkliercarcinoom

Papillair schildkliercarcinoom
Dit is de meest voorkomende schildklierkanker, in ongeveer 65% van de situaties, en kan op bijna elke leeftijd voorkomen. De prognose is over het algemeen gunstig want de kans op genezing is groot.

Folliculair schildkliercarcinoom
Deze vorm komt wat minder vaak voor (ongeveer 20%) en ontstaat meestal tussen de 30-70 jaar. De prognose is iets minder gunstig dan papillair schildkliercarcinoom, maar over het algemeen is deze vorm ook goed te behandelen.

Medullair schildkliercarcinoom
Deze vorm van schilklierkanker is zeldzaam (ongeveer 5%), en komt onder andere voor als onderdeel van een erfelijke aandoening, het MEN2 syndroom. Schildklierkankercellen maken bij deze vorm het hormoon calcitonine. De prognose is minder gunstig dan papillair of folliculair carcinoom, en hangt af van de uitbreiding en groeisnelheid van het carcinoom bij diagnose.

Anaplastisch schildkliercarcinoom
Dit is eveneens een zeldzame vorm van schildklierkanker (ongeveer 10%), en komt met name bij ouderen voor. Het kent een snel en agressief beloop, waardoor het een zeer slechte prognose heeft. Slechts in hele enkele situaties (als de diagnose in een zeer vroeg stadium is gesteld), is genezing mogelijk.

Bij de behandeling van schildklierkanker zijn meerdere disciplines betrokken zoals de chirurg, de endocrinoloog, de nucleair geneeskundige, de oncoloog en de radiotherapeut.

De behandeling van papillair en folliculair schildkliercarcinoom bestaat uit operatie en radioactief jodium (zie ook de patiëntenfolder ‘Schildkliertherapie met jodium).

Bij een operatie wordt nagenoeg de gehele schildklier verwijderd. Aangezien de schildklier vast zit aan de luchtpijp, zullen er bijna altijd (in principe kleine) schildklierresten/cellen in de hals achterblijven. Tijdens de operatie worden ook verdachte lymfeklieren in de hals verwijderd.

Ongeveer 4 tot 6 weken na de operatie volgt de behandeling met radioactief jodium om de resterende, mogelijk kwaadaardige, schildkliercellen te vernietigen. Schildkliercellen zijn de enige cellen in het lichaam die jodium opnemen. Door het jodium radioactief te maken ontstaat er een methode waardoor heel lokale bestraling (alleen in de schildkliercellen) optreedt. Als voorbereiding op de behandeling met radioactief jodium moeten de nog aanwezige schildkliercellen gestimuleerd worden, opdat ze zoveel mogelijk radioactief jodium opnemen. Dit maakt de behandeling effectiever. Deze stimulatie vindt plaats door het hormoon TSH (schilklier stimulerend hormoon). Dit kan op twee manieren bereikt worden:
1. door na de operatie niet meteen te starten met schildklierhormoon tabletten. Dit leidt na 4-6 weken tot een voldoende verhoging van de TSH productie in de hypofyse (kleine hormoonklier onder aan de hersenen), of
2. door middel van twee injecties met een medicijn dat bestaat uit nagemaakt (recombinant) TSH, enkele dagen voor de jodium behandeling.

Ter voorbereiding op uw behandeling met radioactief jodium is het noodzakelijk om een jodiumbeperkt dieet te volgen. Door het volgen van het jodiumbeperkt dieet zal er weinig jodium door de voeding in de schildklier worden opgenomen, waardoor er meer radioactief jodium naar de schildkliercellen kan gaan. Hierdoor zal het effect van het radioactieve jodium groter worden tijdens de behandeling. Lees voor meer informatie het patiënteninformatieblad 'Jodiumbeperkt dieet'.

Na de behandeling met radioactief jodium, wordt gestart met tabletten met schildklierhormoon. In het bloed wordt gecontroleerd of de dosering voldoende is, waar nodig wordt deze dosering bijgesteld. Daarbij wordt getracht het TSH voldoende laag te laten zijn om hiermee eventueel overgebleven schildkliercellen niet teveel te stimuleren.

Inname van tabletten met schildklierhormoon: het is belangrijk dat u de tabletten met schildklierhormoon op de nuchtere maag met water inneemt. Schildklierhormoon wordt namelijk niet opgenomen in het bijzijn van voeding en andere medicijnen, bijvoorbeeld calcium en ijzer. Over het algemeen kan er na een half uur gegeten worden.

Enkele maanden na de behandeling met radioactief jodium kan worden beoordeeld of de schildklierkanker nog aanwezig is. Dit wordt gedaan met behulp van bloedonderzoek en echografie van de hals. Bij bloedonderzoek wordt het eiwit thyreoglobuline gemeten. Thyreoglobuline wordt alleen door schildkliercellen gemaakt en is daardoor een betrouwbare marker (een zogenaamde ‘tumormarker’) voor eventuele aanwezigheid van overgebleven schildkliercellen (goed- of kwaadaardig). Bij de echografie van de hals zal de radioloog kijken naar eventuele schildklierresten of afwijkende lymfeklieren in de hals. Zo nodig zal de radioloog hieruit een punctie nemen. Afhankelijk van de uitslagen van het bloedonderzoek en de echografie van de hals worden eventuele vervolgonderzoeken gepland. Zie ook de patiëntenfolders Echografie en Een punctie op de afdeling Radiologie’.

De behandeling van medullair schildkliercarcinoom bestaat eveneens uit een schildklieroperatie, waarbij tevens verdachte lymfeklieren in de hals worden verwijderd. Medullaire schildklierkanker gaat uit van de C cellen van de schildklier, en deze nemen geen jodium op. Derhalve is behandeling met radioactief jodium niet zinvol. Na de operatie wordt er gestart met tabletten met schildklierhormoon. In het bloed wordt gecontroleerd of de dosering voldoende is, en zo nodig wordt deze bijgesteld. Enkele maanden na de operatie wordt beoordeeld of het medullair schildkliercarcinoom helemaal verwijderd is. Dit wordt gedaan met behulp van bloedonderzoek. Bij bloedonderzoek wordt het hormoon calcitonine gemeten. Dit is een betrouwbare marker, en wordt voornamelijk door C cellen van de schildklier gemaakt. Afhankelijk van de uitslagen van het bloedonderzoek worden eventuele vervolgonderzoeken gepland.

De behandeling van anaplastisch schildkliercarcinoom bestaat in eerste instantie uit een operatie. Omdat de kanker bij presentatie al kan doorgroeien in ander weefsel, wordt er bij de operatie geprobeerd zo veel mogelijk afwijkend weefsel te verwijderen met zo min mogelijk schade aan de omgeving (zenuwen, spieren, luchtpijp, etc.). Dit is echter heel moeilijk. Voor de prognose is het belangrijk zo veel mogelijk weefsel te verwijderen. Over het algemeen worden patiënten nadien behandeld met lokale radiotherapie op de hals, al dan niet in combinatie met chemotherapie. Aangezien anaplastische schildklierkankercellen over het algemeen geen jodium opnemen, is behandeling met radioactief jodium meestal niet zinvol.

Soms doet de situatie zich voor dat bij presentatie de ziekte zich al zodanig heeft uitgebreid dat operatie niet meer zinvol of mogelijk is.

Voor meer informatie zie ook de website van Schildklier Organisatie Nederland (SON) en www.schildklierkanker.nl.