Hypofyse aandoeningen

Syndroom van Cushing

Bij het syndroom van Cushing is er te veel van het bijnierhormoon cortisol. Cortisol is belangrijk voor de stofwisseling en in stresssituaties. Het heeft zeer veel effecten op vrijwel alle organen en weefsels van het lichaam.

De meest voorkomende oorzaak van Cushing is het gebruik van glucocorticoïden (zoals dexamethason en prednison). Deze medicijnen krijgt u soms als behandeling voor een andere ziekte, zoals reuma, chronisch astma, COPD, of na een transplantatie. Het gaat dan dus om een bijwerking van het medicijn.

De te hoge cortisolspiegels kunnen ook veroorzaakt worden door een hypofyse- of bijniergezwel. Dat komt in Nederland ongeveer bij vijftig mensen per jaar voor. Meestal gaat het dan om een goedaardig adenoom in de hypofyse dat teveel ACTH afgeeft. Dit zorgt ervoor dat de bijnieren veel cortisol aanmaken. In dat geval spreken we van de ziekte van Cushing. Minder vaak ligt de oorzaak in de bijnier. Er zit dan een goed- of kwaadaardig gezwel in de bijnier dat te veel cortisol aanmaakt.

Teveel aan cortisol kan ervoor zorgen dat er klachten ontstaan als:
  • Gewichtstoename
  • Vetafzetting rond de romp met relatief dunne armen en benen
  • Vollemaansgezicht (rood en opgezwollen), vaak met rode blosjes
  • Dunne, kwetsbare huid met snel blauwe plekken
  • Zwakke spieren
  • Overbeharing
  • Rood-paarse huidstriemen
  • Psychische klachten (bijvoorbeeld depressie)
  • Hoge bloeddruk
  • Suikerziekte (diabetes mellitus)
  • Botontkalking (osteoporose)

Om de diagnose syndroom van Cushing te stellen wordt laboratoriumonderzoek van bloed, urine en speeksel verricht. Soms zijn speciale bloedtesten nodig waarbij kortdurend medicijnen (tabletten of via een infuus) worden toegediend.

Het is vaak lastig om het syndroom van Cushing aan te tonen, omdat ook bij overgewicht, psychische aandoeningen en overmatig alcoholgebruik soortgelijke klachten kunnen voorkomen. We kunnen dan zelfs afwijkende bloedwaardes vinden. Daarom doen we het laboratorium onderzoek op verschillende tijdstippen en meerdere keren.

Als het syndroom van Cushing vastgesteld is, dan wordt gericht beeldvormend onderzoek (CT- of MRI-scan, zie ook de patiëntenfoldersCT-scan’ en ‘MRI-onderzoek’) van de bijnieren of hypofyse verricht. Soms is het nodig om een bloedafname te doen uit het vaatstelsel rondom de hypofyse, dit is een sinus petrosus sampling.

Meestal wordt het syndroom van Cushing behandeld met een operatie aan hypofyse of bijnieren (afhankelijk van de oorzaak). Zie voor meer informatie over de operatie de patiëntenfolder Operatie hypofyse adenoom.